zaterdag 4 februari 2017

The blessed genealogist - Finding Aunt Alice (2017)

Last week I decided to go and try to find a grave of a distant relative at the huge cemetery of Berchem, just to the south of the Belgian city of Antwerp. I was definitely surprised by the size of this cemetery and it took me quite some time to locate the grave I was looking for. While I might write a blog post about that relative in my other blog, I already wanted to share something I discovered as I was walking between the many old graves at the Berchem cemetery.

Of all of the relatives I have been researching, probably I have been spending most time on my great grand aunt Alice Brusten, the opera singer. Reason I spent so much time on collecting every bit of information I could get my hands on is because my dear late aunt Annemie had asked me if I could help her find out more about aunt Alice.

The last couple of weeks I had spent quite some time on gathering information about the husband of aunt Alice, uncle Maurice Van Bladel, because a student reporter had contacted me to ask questions about uncle Maurice as he was preparing a report on forgotten Olympic Arts medal winners.

Now as I was walking through that graveyard I suddenly stopped walking as I saw a huge tombstone of the Van Bladel family. I walked over and tried to read the letters on it and there they were... The names of my great grand aunt Alice and her husband uncle Maurice!

I literally had to lean on the tomb to keep myself from falling down. I tell you, if you learn so much about these long lost relatives, you really start to care about them. And then of course I instantly regretted I didn't locate this grave while I still could tell my aunt about it... Yes, all that got me teary for a second. But as I walked away from that cemetery, I was smiling. Wondering how that just happened...


Van Bladel family grave




*

*         *





Vorige week besloot ik op de begraafplaats van Berchem op zoek te gaan naar het graf van een verre aanverwant. Ik was zeker verrast door de grootte van deze begraafplaats en het vergde heel wat tijd alvorens ik het graf had gevonden waar ik naar op zoek was. Over dat familielid zal ik misschien later nog een bericht schrijven in mijn andere blog. Intussen had ik toch graag al een ontdekking gedeeld  die ik deed terwijl ik rondliep tussen de vele oude graftomben op de Berchemse begraafplaats.

Van alle familieleden waar ik onderzoek naar heb gedaan, heb ik waarschijnlijk het meeste tijd besteed aan mijn overgroottante Alice Brusten, de opera zangeres. De reden dat ik zo veel tijd heb gespendeerd om zoveel mogelijk over haar te weten te komen is omdat mijn tante Annemie me destijds had gevraagd of ik haar kon helpen om meer informatie te vinden over tante Alice.

De voorbije weken heb ik dan weer aardig wat tijd gespendeerd om meer te weten te komen over de echtgenoot van tante Alice, nonkel Maurice Van Bladel, omdat een student journalistiek me had gecontacteerd en vragen had gesteld in verband met nonkel Maurice omdat hij een werkstuk was aan het voorbereiden over de vergeten olympische medaillewinnaars in de kunstdisciplines.

Terwijl ik door de begraafplaats stapte, stopte ik plots omdat ik een grote grafsteen zag van een familie Van Bladel. Het kostte me enige moeite om de namen te lezen op de grafsteen, maar daar waren ze... De namen van mijn overgroottante Alice en haar man, nonkel Maurice!

Ik moest me letterlijk vasthouden aan de graftombe om te verhinderen dat ik neerviel. Ik kan je zeggen, als je zo veel leert over die lang vergeten familieleden begin je er echt om te geven. Ik betreurde onmiddellijk dat ik dat graf niet had gevonden wanneer mijn tante nog leefde, zodat ik haar erover kon vertellen... Ik werd er even emotioneel van , maar wanneer ik weg stapte van de begraafplaats glimlachte ik. Me afvragend hoe dat net was gebeurd...


Familiegraf van de familie Van Bladel

dinsdag 31 januari 2017

Refugees, bombs and prisoner camps - the horrors of war (1943).


I mentioned in several previous blog posts that many relatives fled from Belgium during both World Wars. Most of the refugees in my family during the Great War ended up in the United Kingdom and France, while others found refuge in the Netherlands and, very few, in the United States.

During World War II it appears to have been more difficult to find a country to travel to, in an attempt to escape the horrors that were ongoing in the homeland. The majority of my relatives stayed in Belgium during WWII, despite the horrible conditions they endured. By way of illustration of the hardships, I included hereafter an account of what happened to some relatives during the War...

It was last week that I came across a document from 1943 relating to my great grandfather, Marcel Brusten, and being directed to the National Relief Fund. Great-grandpa made leather soccer balls for a living and was barely making any money during the war. On top of that he had been struggling with his health for months and only received a small allowance during his illness. His wife, my great-grandmother Julia, did not have any income and my 18-year old great-aunt Jean only earned a little bit of money at Bell Telephone Company and so the family relied heavily on the income of my grandfather Henri.

Grandfather was only 16 years old at the time he was working at the Erla factory. This was an old Minerva car factory in the Belgian village of Mortsel. During the occupation, the occupiers had turned this factory into a workshop where plane engines were being restored. The people working in this factory included many local citizens desperately in need of an income to support their families.

On April 5, 1943, the American Air Force dropped hundreds of bombs on the village of Mortsel, in an attempt to destroy the Erla factory. The outcome was absolutely devastating. Well over 900 citizens died, including more than 200 children as several bombs were dropped on schools. Some bombs did fall on the Erla factory, while my 16-year old grandfather was working there.

Graves of Belgian victims of the bombings over Mortsel (1943)

In a statement written by a lady working at the National Relief Fund at that time, Henri's condition was described as follows:

Son Henri was heavily wounded at Erla. Stood in hall I.  Was wounded on head, legs and broken arm. Is still in the hospital. Will not be better any time soon. Will stay there for quite a long time. Bruises over the entire body. 

Grandfather did get better eventually and the family managed to live through the War. I know that, like several other relatives, grandpa Henri was active in the Underground during the War. However, he was captured. While he did manage to escape, I've been told he was captured again and had to perform forced labour.

At the end of the War, grandfather was released from a work camp by Canadian troops. My great-aunt Jean told me years ago that when she was going to pick him up after his release, she barely recognised him because he had gained so much weight from all the food the Canadians had given to him.

Sadly not all relatives survived the prisoner camps, as explained in previous blog posts...

As I was looking through names of prisoners who died in the Dachau concentration camp near Munich, I did come across the name of a German man called Wilhelm Brusten. Wilhelm came from the village of Stetternich, which is only a few miles from Körrenzig, which is where I've been able to trace my oldest known Brusten relatives to. Since the Brusten last name is very rare and bearing in mind the great proximity of these villages, I'm sure there must be a family relationship between Wilhelm Brusten and the Belgian branch of the Brusten family. For him being a German citizen, I don't know what had happened for Wilhelm to end up as a forced laborer in a concentration camp.

It seems that also for him, there was no way out.



*

*      *




Ik vermelde al in eerdere blogberichten dat verschillende familieleden tijdens de twee wereldoorlogen wegvluchtten uit België. De meeste vluchtelingen in mijn familie tijdens de Grote Oorlog belandden in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, terwijl anderen konden vluchten naar Nederland, en slechts enkelen naar de Verenigde Staten.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het blijkbaar veel moeilijker om naar het buitenland te vluchten teneinde de gruwel thuis te ontlopen. De meerderheid van mijn familieleden bleef tijdens de Tweede Wereldoorlog in België, ondanks de verschrikkelijke omstandigheden die ze moesten doorstaan. Ter illustratie van die moeilijke tijd, geef ik hierna een schets van wat er met enkele familieleden gebeurde tijdens de oorlog...

Het was vorige week dat ik een document tegenkwam van 1943 betreffende mijn overgrootvader, Marcel Brusten, en dat betrekking had op een aanvraag tot vergoeding uit het rampenfonds. Overgrootvader verdiende geld door het maken van lederen voetballen, doch, tijdens de oorlog had hij nauwelijks inkomsten. Daarenboven had hij problemen met zijn gezondheid en ontving hij slechts een kleine ziekte-uitkering. Zijn vrouw, mijn overgrootmoeder Julia, had geen inkomen en mijn 18-jarige groottante Jean verdiende slechts een beetje op haar job bij Bell Telephone Company en het gezin hing dus in grote mate af van het inkomen van mijn grootvader Henri.

Grootvader was maar 16 jaar oud wanneer hij in de Erla fabriek werkte. Dat was de oude Minerva fabriek in Mortsel die tijdens de bezetting werd omgevormd in een werkplaats voor het herstellen van vliegtuigmotoren. De mensen die werkten in deze fabriek waren ook lokale burgers die nood hadden aan een inkomen om hun families te onderhouden.

Op 5 april 1943 dropte de Amerikaanse luchtmacht honderden bommen op het dorp Mortsel, teneinde de Erla fabriek te vernietigen. De gevolgen waren ronduit rampzalig. Ruim meer dan 900 burgers overleden, inclusief meer dan 200 kinderen vermits er bommen op scholen vielen. Er vielen ook bommen op de Erla fabriek, terwijl mijn 16-jarige grootvader daar aan het werk was.

Graven van Belgische slachtoffers van het bombardement op Mortsel (1943)

In een verklaring geschreven door de dame van het rampenfonds werd de toestand van Henri als volgt beschreven:

Zoon Henri werd ernstig gewond in Erla. Stond in hal I.  Gekwetst aan hoofd benen en gebroken arm. Is nog steeds in het gasthuis. Zal daar nog geruime tijd verblijven. Is nog lang niet aan de beterhand. Kneuzingen over het gehele lichaam. 

Grootvader kwam er bovenop en het gezin overleefde de oorlog. Ik weet dat grootvader Henri, net als vele andere familieleden, actief was in het Verzet. Hij werd echter gevangen genomen. Hoewel hij kon ontsnappen, is me verteld dat hij opnieuw werd gevangen genomen en dwangarbeid moest uitvoeren.

Op het einde van de oorlog werd grootvader bevrijd door Canadese soldaten. Mijn groottante Jean vertelde me jaren geleden dat, wanneer ze haar broer ging ophalen na zijn bevrijding, ze hem amper herkende omdat hij zo veel was bijgekomen van al het eten dat hij van de Canadezen had gekregen.

Jammer genoeg overleefden niet alle familieleden de strafkampen, zoals uitgelegd in vorige blogberichten...

Terwijl ik naar namen was aan het kijken van gevangenen die in het Dachau concentratiekamp zijn overleden, kwam ik de naam tegen van een Duitser die Wilhelm Brusten noemde. Wilhelm kwam uit het dorp Stetternich, dat slechts enkele kilometers verwijderd is van Körrenzig, waar ik de tot nu toe oudst bekende familieleden heb kunnen naar traceren. Aangezien Brusten een zeldzame naam is en afgaand op de nabijheid van Stetternich en Körrenzig, ben ik er zeker van dat er een familieverband moet bestaan tussen Wilhelm Brusten en de Belgische tak van de familie Brusten. Ik weet niet wat de reden was van zijn opsluiting in een concentratiekamp als dwangarbeider.

Blijkbaar was er ook voor hem geen enkele uitweg...

vrijdag 27 januari 2017

The heroic life of great grand uncle Jean Hippolyte Brusten

While some blog posts have already been dedicated to great-grand uncle Jean Hippolyte, I just wanted to share some more information about this remarkable man.

Hippolyte was born in July 1898 in the village of Bree in Belgium. He went to school up until when he was 16 years old and the Great War started. While the family initially moved to the United Kingdom, I know that uncle Hippolyte voluntarily served in the Belgian army during the Great War. He served from early 1916 untill after the War, in 1919.


Jean Hippolyte Brusten

As the war was still ongoing, uncle Hippolyte married Mary Barlow in July 1918. Aunt Mary was a native from Leeds in the United Kingdom. Eventually the couple had three sons and two daughters, however, sadly the youngest daughter, Josephine, died at a very young age.

After the Great War, uncle Hippolyte started working for the city of Antwerp, where he was first a driver but eventually held several positions. The below picture shows uncle Hippolyte at the time when he was the driver to the ambassador of the United States in Belgium.



Only this week I discovered that uncle Hippolyte did not only serve during the Great War, but that he was also a member of the armed resistance in Belgium, during the Second World War. In fact he was a member of the NKB, the same resistance group as the one his son, Freddy, was also active in.

While the facts that Hippolyte voluntarily joined the Belgian Army during the Great War and that he was active in The Underground during WWII already say a lot about his character, I do wish to add yet another event in which uncle Hippolyte chose to take on a courageous role...

In the summer of 1949, a few weeks after his 51st birthday, uncle Hippolyte was in the small village of Lillo just to the north of the city of Antwerp, along the shore of the Scheldt river. A group of amateur shrimp fishermen was on the pier stretching out over the Scheldt pulling their nets out of the water. A twelve year old boy, who was also on the pier, was leaning over the edge of the pier trying to look at the nets coming out of the water and lost his balance, resulting in the little lad falling into the river. As the little boy was just about to dissapear, Uncle Hippolyte threw himself into the river, still wearing all of his clothes, and, only with great efforts, managed to pull the boy safely to the river bank. As they reached the bank, a crowd was cheering...

Hippolyte and Mary

Uncle Hippolyte eventually died in January 1980. His wife, aunt Mary, had died only two months before him.





*
*     *




Hoewel er al enkele blogberichten zijn gewijd aan overgrootnonkel Jean Hippolyte, had ik toch nog graag wat verdere informatie over deze bijzondere man gedeeld.

Hippolyte werd geboren in juli 1898 in het Belgische dorp Bree. Hij ging tot zijn 16 jaar naar school, wanneer de Grote Oorlog startte. Terwijl de familie aanvankelijk naar het Verenigd Koninkrijk vluchtte weet ik dat nonkel Hippolyte vrijwillig diende in het Belgisch Leger tijdens de Grote Oorlog. Hij was bij de strijdkrachten van begin 1916 tot na de Oorlog, in 1919.


Jean Hippolyte Brusten

Nog terwijl de oorlog bezig was, huwde nonkel Hippolyte met Mary Barlow in juli 1918. Tante Mary was afkomstig van Leeds in het Verenigd Koninkrijk. Uiteindelijk kreeg het koppel drie zonen en twee dochters, doch, de jongste dochter, Josephine, overleed spijtig genoeg vroegtijdig.

Na de Grote Oorlog ging nonkel Hippolyte werken bij de stad Antwerpen waar hij eerst chauffeur was, maar waar hij uiteindelijk verschillende functies heeft uitgeoefend. In de onderstaande foto was Hippolyte chauffeur voor de ambassadeur van de Verenigde Staten van Amerika in België.



Pas deze week ontdekte ik dat nonkel Hippolyte niet enkel oud-strijder was van de Grote Oorlog, maar dat hij ook lid was van het gewapend verzet tijdens WOII. In feite was hij een lid van de NKB, dezelfde verzetsgroep als die waar zijn zoon, Freddy, was bij aangesloten.

Terwijl de feiten dat Hippolyte vrijwillig in het Belgisch Leger diende tijdens de Grote Oorlog en dat hij actief was in het Verzet tijdens WOII al veel zegt over zijn karakter, had ik toch graag nog een gebeurtenis vermeld waarbij nonkel Hippolyte ervoor koos om een dappere rol op zich te nemen...

In de zomer van 1949, enkele weken na zijn 51ste verjaardag, was nonkel Hippolyte in het dorp Lillo, net ten noorden van de stad Antwerpen, aan de oever van  de Schelde. Een groep amateur garnaalvissers stond op het ponton dat zich over de rivier uitstrekte de netten op te halen terwijl een twaalfjarige jongen die het spektakel stond te aanschouwen op het ponton zijn evenwicht verloor en onfortuinlijk in de rivier viel. Net wanneer de kleine knaap met de stroming dreigde te verdwijnen wierp nonkel Hippolyte zichzelf in de rivier, met al zijn kleren nog aan, waarna hij er met veel moeite in slaagde om de jongen veilig en wel terug naar de oever te brengen. Terwijl ze daar aankwamen werden ze door een menigte toegejuicht...

Hippolyte en Mary

Nonkel Hippolyte overleed uiteindelijk in januari 1980. Zijn echtgenote, tante Mary, was slechts twee maanden voor het overleden.

zondag 25 december 2016

Merry Christmas

 
 


Throwback Christmas picture with cousin Doreen underneath the Christmas tree. I'm not sure who the baby is...

woensdag 30 november 2016

Frederick Charles Brusten


Cousin Frederik (Freddie) Brusten was born in June 1916, in Wortley, Leeds in the United Kingdom as the first child of great-grand-uncle Jean Hyppolite Brusten and his English wife, Mary Constance Barlow. When the Great War was over, the family moved to Belgium, where an additional four children were born. Sadly, the youngest baby girl, Josephine, already died in 1929 at the age of 7 months.

Freddie was baptized early January 1920, when he was 3.5 years old. The baptism took place in St. Catherine's Church in the Southern part of Antwerp on the same day as that of his younger brother, Henri, who had been born about two weeks earlier just a few days before Christmas in 1919.

Freddie Brusten

Freddie married Joanna Peeters and started working as a fireman. His colleagues in the fire department included Julius Blockhuysen, Peter Cools and Frans Van Ranst.

Julius Blockhuysen and Peter Cools were both a few years older than Freddie as they had both been born in 1912. Both were natives from Antwerp, just like Frans Van Ranst who had been born in 1908.

During WWII, Julius Blockhuysen was active in the Belgian Resistance and participated in the Underground Press, as a result of which he was imprisoned in the night of March 18, 1942. Records show Julius entered the prisoner camp in Breendonk early October 1942. After staying a month there, he was deported to another camp. In September 1944, Julius was sent to the Natzweiler concentration camp in France. Eventually he died in the Vaihingen concentration camp in southern Germany, in March 1945.

Also Frans Van Ranst and Pieter Cools were active in the Resistance and were sent to the Breendonk camp at the same moment as Julius Blockhuysen, however, unlike Julius, they ended up in Mauthausen-Gusen, a camp aimed at exterminating inmates through heavy labour. Frans eventually died in Gusen on December 12, 1942 and Pieter died there three months later, on March 10, 1943.

 
Sign at the entrance of the Breendonk camp
"STOP! Who proceeds will be shot!"
 

Statue next to the Breendonk camp in Belgium
 
Just like his fellow firemen, also Freddie ended up in Breendonk. According to a declaration made by his commanding officer, the main reason for his arrest was that he had been collecting money to help out the families of his colleagues Julius, Peter and Frans. Helping out families of members of the Resistance was also considered to be a punishable crime. Upon arriving in the Breendonk camp, the hair of the inmates was shaved off and they had to stand up, facing the wall, for several hours without moving, as any movement resulted in a physical punishment like a severe beating. The conditions in the Breendonk camp were definitely horrible.
 
I'm not sure if the support that Freddie provided to the families of his colleagues was the sole reason for his imprisonment. Government issued documents state that Freddie was a member of the NKB (the National Royal Movement), which was an Underground organization active in Belgium during WWII.
 
Freddie entered the Breendonk camp on November 6, 1942 after he had spent a month in jail in Antwerp. He was already deported three days after his arrival to a concentration camp in Austria, on exactly the same day as Frans Van Ranst and Pieter Cools. In fact he arrived first in the main camp of Mauthausen on November 14, 1942 and was then sent to the Gusen camp on November 23, 1942.


Freddie's name on the Memorial wall at the Breendonk camp in Belgium
(picture by Patricia Brusten)
 
The heavy labour in the Mauthausen-Gusen camp included mining large quantities of granite in quarries. The camp mostly held political prisoners, many of them of Polish or Russian descent.
 
Freddie died in Gusen on April 28, 1943. According to information received from the Mauthausen Memorial the cause of death mentioned in the inmate death register was pleurisy, however, I was informed that the given cause of death not necessarily correlated with the actual cause of death.

After the war, a Firefighters Memorial was erected at a Fire Department building in the south of Antwerp. Freddie is listed as "A. Brusten". The reason for the first inital being "A" instead of "F" is probably due to some confusion at the time concerning his first name, since some documents refered to him as "Alfred" instead of "Frederik".


Firefighters Memorial in Antwerp mentioning the name of Frederik Brusten
(picture by Sven Brusten) 




 
*
 
*         *








Neef Frederik (Freddie) Brusten werd geboren in june 1916, in Wortley, Leeds in het Verenigd Koninkrijk als oudste kind van overgrootnonkel Jean Hyppolite Brusten en zijn Engelse echtgenote, Mary Constance Barlow. Na het einde van de Grote Oorlog, verhuisde de familie naar België, waar nog vier kinderen werden geboren. Tragisch genoeg overleed de jongste dochter, Josephine, reeds in 1929 op de leeftijd van amper 7 maanden.

Freddie werd begin januari 1920 gedoopt, toen hij 3,5 jaar oud was. Zijn doopsel vond plaats in de Sint-Catharina kerk in het zuiden van Antwerpen, op dezelfde dag als die van zijn jongere broer, Henri, die ongeveer twee weken eerder was geboren, net voor Kerstmis in 1919.

Freddie Brusten

Freddie huwde met Joanna Peeters en begon te werken als brandweerman. Zijn collega's in het brandweerkorps waren ondermeer Julius Blockhuysen, Peter Cools en Frans Van Ranst.

Julius Blockhuysen en Peter Cools waren beiden enkele jaren ouder dan Freddie vermits ze beiden geboren waren in 1912. Beiden waren geboren in Antwerpen, net als Frans Van Ranst die in 1908 was geboren.

Tijdens WOII, was Julius Blockhuysen actief in het Belgisch Verzet en werkte hij mee aan de ondergrondse pers, als gevolg waarvan hij in de nacht van 18 maart 1942 werd gevangen genomen. Documenten tonen dat Julius Julius in het gevangenenkamp van Breendonk terecht kwam begin oktober 1942. Nadat hij daar een maand had doorgebracht, werd hij gedeporteerd naar een ander kamp. In september 1944, werd Julius naar het Natzweiler concentratiekamp in Frankrijk gedeporteerd. Uiteindelijk overleed hij in het bijkamp te Vaihingen in het zuiden van Duitsland in maart 1945.

Ook Frans Van Ranst en Pieter Cools waren actief in het Verzet en werden naar het Breendonk kamp gestuurd op hetzelfde moment als Julius Blockhuysen, echter, in tegenstelling tot Julius, eindigden zij in Mauthausen-Gusen, een concentratiekamp dat gericht was op het elimineren van gevangenen door hard werk. Frans overleed in Gusen op 12 december 1942 en Pieter overleed er drie maanden later, op 10 maart 1943.

 
Bord aan de ingang van het Fort van Breendonk
 

Beeld naast het Fort van Breendonk
 
Net als zijn collega brandweermannen, belandde ook Freddie in Breendonk. Volgens een verklaring van zijn leidinggevende bestond de hoofdreden van zijn arrestatie erin dat hij geld had ingezameld om de families van zijn opgesloten collega's Julius, Peter en Frans te helpen. Het helpen van de familieleden van verzetsleden was echter een strafbaar feit. Bij aankomst in het Fort van Breendonk, werden de haren van de gevangenen afgeschoren en moesten ze uren rechtop staan, met hun gezicht naar de muur en zonder te bewegen. Elke beweging werd zwaar afgestraft met een fysieke straf zoals slagen. De omstandigheden in het Fort van Breendonk waren absoluut afschuwelijk.
 
Ik ben niet zeker of het feit dat Freddie geld had ingezameld voor de famlies van zijn collega's de enige reden was van zijn arrestatie. Uit documenten is gebleken dat Freddie een lid was van de NKB (de Nationale Koninklijke Beweging), dit was een verzetsbeweging die actief was in België tijdens WOII.
 
Freddie kwam binnen in het Fort van Breendonk op 6 november 1942 nadat hij een maand had doorgebracht in de gevangenis van Antwerpen. Hij werd reeds gedeporteerd drie dagen na aankomst naar een concentratiekamp in Oostenrijk, op precies dezelfde dag als Frans Van Ranst en Pieter Cools. In feite arriveerde hij eerst in het hoofdkamp van Mauthausen op 14 november 1942 en werd vervolgens naar het Gusen kamp gestuurd waar hij aankwam op 23 november 1942.


Freddie's naam op de herdenkingsmuur in het Fort van Breendonk
(foto door Patricia Brusten)
 
De zware arbeid in het Mauthausen-Gusen kamp omvatte het werken in granietmijnen. In het kamp zaten vooral politieke gevangenen, velen van hen afkomstig van Polen of Rusland.
 
Freddie overleed in Gusen op 28 april 1943. Volgens informatie ontvangen van het Mauthausen Memorial was de doodsoorzaak die is vermeld in het overlijdensregister van het kamp longontsteking, echter, er werd mij tevens medegedeeld dat de opgegeven doodsoorzaak niet noodzakelijk overeenstemde met de werkelijke doodsoorzaak.

Na de oorlog werd er in het zuiden van Antwerpen een herdenkingsmonument opgericht voor gesneuvelde brandweermannen. Freddie wordt vermeld als "A. Brusten". De reden waarom het eerste initiaal "A" is in plaats van "F" ligt vermoedelijk in het feit dat er toen enige verwarring bestond omtrent zijn voornaam, vermits sommige documenten naar hem verwezen als "Alfred" in plaats van "Frederik".


Monument voor gesneuvelde en omgekomen brandweermannen in Antwerpen
(foto door Sven Brusten) 




 

 

zaterdag 5 november 2016

Letter from the firing line - Great grand uncle Herbert Holgate (1915)

 
"Somewhere in France"
 
2nd of May 1915
 
 
Dear Friend,
 
 
You will remember I promised to write if I came out here. Well, after three weeks strenous labour, I find I have a few moments to spare. However I dare say I shall be able to interest you with an account of our (the Bramley Battery) travelling since leaving Hull. Well, we arrived in France after the voyage of 14 hours. It was my first experience of the sea, so you can guess I had a pretty rough time of it. After disembarking we entrained and after 24 hours journey across country, arrived at village No. 1 at 9 o'clock PM on April 14th.
 
From village No. 1 we went about 4 miles and then put up for the night. Next morning, April 15th, we marched about 3 miles to village No. 2 and stayed there for 4 days. It is generally understood that a battery has a period of rest before going to the fire line, but I can assure you we did more (physical) training than during our 8 and a half months training. Up in the morning at 5.30 grooming our horses etc. until 7.00. Then breakfast. "Fall in" again at 8.30 and then we went for a march of about 8 or 10 miles every man with his full accoutrement. It is no joke walking when one has been used to riding. However, we have gotten over it, I am sure everyone can see and feel that it has been to the benefit of the Battery.
 
Now from village No. 2 we have come to the firing line and after about a week of it I can safely say that it has not been half as hard as training. The other day we started  in proper order. Sent them (the Germans) a few shells just to let them know we had (2nd Battery) arrived. Where we are though it's practically dull. Just a shot or two every day. Of course it's not all on our side.
 
Just along the road is a crucifix with porch surrounding it, or rather was surrounding it. For, while the porch is practically battered to dust with German shell fire, the crucifix still remains with not even a scratch on it. It takes some believing but I can assure you it is not the only instance I have seen myself. Some people doubt such things, but if they could only see such things out here at the front they would study more about the deeper meaning of life and less about personal pleasure. It's surprising how it alters young men. Over here one realises  the value of a clear consience and a clean good life.
 
I could relate a good deal, but it will have to wait till another time, I am on telephone duty until 7.0 o'clock AM (May 3rd). I have been on since 7 o'clock this morning. We take it 24 hrs at a stretch. It's easy work except when firing, then there is a lot of running about.
 
I shall have to close now. Tea is just ready and I might say I am in good form for it. (Some big guns have just started firing the shells don't half make a noise as they come through the air) If you could spare a few moments to write to me, I should be very grateful, as no one knows how cheering it is to receive a letter from dear old Bramley.
 
                                I remain
                                 Yours sincerely
                                      Herbert Holgate
 
 
 




The above letter was written by great-grand uncle Herbert Holgate who was born in Bramley, Leeds in the United Kingdom in March 1895 to Christopher and Mary Holgate. Uncle Herbert's father, Christopher Holgate, was a Pudsey, Leeds native (°1861) just like his father Joseph Holgate (°1831). I learned that Herbert had a sister called Edith, who was born about 1899.

Herbert and Helena Holgate

Herbert returned safely to the United Kingdom where he married great-grand aunt Helena Brusten in 1919. Herbert and Helena had a daughter they named Doreen. Uncle Herbert died in December 1967, at the age of 72.
 
Herbert Holgate in 1958
 





*
*     *






 
"Ergens in Frankrijk"
 
2 mei 1915
 
 
Beste Vriend,
 
 
Je zal je herinneren dat ik heb beloofd je te schrijven wanneer ik hier zou aankomen. Wel, na drie weken hard werken, heb ik een beetje tijd gevonden. Ik durf te stellen dat ik je interesse zal kunnen opwekken met onze (de Bramley Batterij) reisavonturen sedert we zijn vertrokken uit Hull. Wel, we zijn aangekomen in Frankrijk na een reis van 14 uur. Het was mijn eerste kennismaking met de zee, dus je kan raden dat ik het redelijk zwaar heb gehad. Na het ontschepen en na 24 uur door het land te hebben gereisd, zijn we op 14 april om 9 uur 's avonds in dorp nr. 1 aangekomen.
 
Vanaf dorp nr. 1 gingen we ongeveer 4 mijl verder waar we stop hielden voor de nacht. De volgende ochtend, op 15 april, marcheerden we ongeveer 3 mijl tot dorp nr. 2 en daar bleven we gedurende 4 dagen. Het is wel bekend dat een Batterij een rustperiode nodig heeft alvorens zich naar de vuurlinie te begeven, maar ik kan je verzekeren dat we meer (fysieke) training hadden dan gedurende de 8 en een halve maand opleiding. Opstaan 's morgens om 5h30 om de paarden te verzorgen enz. tot 7h00. Dan ontbijt. Terug "invallen" om 8h30 en dan vertrokken we voor een mars van ongeveer 8 of 10 mijl, iedere man in volle uitrusting. Dat is geen grap, dat stappen als je gewoon bent van te rijden. Echter, we hebben ons erover gezet, ik ben er zeker van dat iedereen kan zien en voelen dat dit ten goede van de Batterij is.
 
Nu, vanaf dorp nr. 2 zijn we naar de vuurlinie getrokken en na ongeveer een week daar te hebben doorgebracht, kan ik gerust stellen dat het nog niet half zo zwaar is geweest als de training. We begonnen goed. We hebben er enkele granaten op afgevuurd (op de Duitsers) om te laten weten dat we waren aangekomen (de 2de Batterij). Waar wij ons bevinden is het echter bijna saai. Amper een of twee schoten per dag. Natuurlijk valt het niet altijd zo goed mee.
 
Net langs de weg staat een kruisbeeld in een beschutting, of beter: die stond er rond. Want, terwijl de beschutting zo goed als tot stof geslagen is door Duitse granaatinslagen, staat het kruisbeeld er nog steeds met geen enkele schram erop. Het vergt enig geloof, doch, ik kan je verzekeren, dat dit niet het enige voorval is dat ik zelf heb aanschouwd. Sommige mensen betwijfelen zulke dingen, maar als ze het eens zelf zouden kunnen zien hier aan het front, dan zouden ze meer nadenken over de diepere betekenis van het leven en minder over hun persoonlijk vertier. Het is verbazingwekkend hoe zulke dingen jonge mannen verandert. Hier besef je pas de waarde van een zuiver gemoed en een schoon en goed leven.
 
Ik zou nog veel meer kunnen uitweiden, maar dat zal moeten wachten tot een volgende keer, ik heb telefoondienst nu tot 7h00 uur 's morgens (3 mei). Ik ben op post sedert 7 uur deze ochtend. We doen 24 uur aan een stuk. Het is eenvoudig werk, behalve wanneer er wordt geschoten, dan wordt er veel rondgelopen.
 
Ik moet nu afsluiten. De thee is net klaar en ik kan wel stellen dat ik er klaar voor ben. (Enkele grote kanonnen zijn net beginnen vuren - de granaten maken amper geluid wanneer ze door de lucht vliegen). Ik zou erg dankbaar zijn als je enkele momenten zou kunnen vrijmaken om me terug te schrijven. Niemand weet hoe opmonterend het is om een brief te ontvangen uit het goede oude Bramley.
 
                                Ik verblijf,
                                 Hoogachtend
                                      Herbert Holgate
 
 
 




De bovenstaande brief werd geschreven door overgrootnonkel Herbert Holgate die werd geboren in Bramley, Leeds in het Verenigd Koninkrijk in maart 1895. Zijn ouders waren Christopher en Mary Holgate. De vader van Herbert, Christopher Holgate, was geboren in Pudsey, Leeds (°1861) net zoals diens vader Joseph Holgate (°1831). Ik ontdekte dat Herbert ook een zus had die Edith heette en die is geboren omstreeks 1899.

Herbert en Helena Holgate

Herbert keerde veilig terug naar het Verenigd Koninkrijk waar hij huwde met overgroottante Helena Brusten in 1919. Herbert en Helena hadden een dochter die ze Doreen noemden. Nonkel Herbert overleed in december 1967, op de leeftijd van 72 jaar.
 
Herbert Holgate in 1958
 

dinsdag 1 november 2016

Marcel & Julia



Marcel Brusten & Julia Verelst
 
The picture above of my great-grandparents Marcel and Julia I saw ever since I was a little child, as it was in my grandparents' living room. I always thought there was something glamorous about this picture... Regrettably great-grandpa Marcel died only a few months before I was born, but I do have some memories about my great-grandmother Julia, although by the time I was old enough to remember, she was already in her sick bed. I do remember visiting her when I was probably four or five years old.
 
This blog post is to tell a little bit of their story...
 
Marcel was born in the village of Bree in the Belgian province of Limburg in 1900 as the youngest of twelve children of Hendrik and Maria. When he was one and a half years old, the family moved to the village of Hoboken, just to the south of Antwerp.
 
By the time the Great War started, Marcel was 14 years old, which was too young to join the army. However, in September 1918 he voluntarily joined the Belgian army, after which he was first sent to the military training camp in Auvours, in the Sarthe department in France, located about 120 miles to the southwest of Paris. Subsequently, he was relocated to the instruction camp in the village of Eu in Normandy, which is west of the French city of Amiens. And finally, he went to Beverlo, near Leopoldsburg, in Belgium. I'm not sure great-grandpa Marcel actually took part in any of the final battles before the Armistice on November 11 of 1918.
 
Marcel Brusten
 
Great-grandmother Julia Verelst was born in 1905 as the third child of Joanna and Henri Verelst. Their first baby, Petrus, died four months before Julia was born at the age of almost 3 years old. Their second son, Jef, was a little more than a year old when Julia was born and before she had her second birthday, another brother was born in 1906 and he was called Frans.
 
During the Great War, in 1917 when Julia was 12 years old, Julia's mother, my great-great grandmother Joanna, was arrested by German soldiers for helping the Belgian army by smuggling mail for them. Joanna was taken to a work camp in Germany... In a 1918 postcard, Julia wrote to her mother:
 
Dearly beloved Mother,
 
I'm writing you this card in good health and I hope the same for you.
We received your card of July 14, 1918 and we read that you will be coming home in a few months.
Oh Mother, how we are longing for that day when we will finally live with peace.
Dear Mother, keep courage. The day of liberation is near and then the suffering will be over. You will be happy to receive a card from your daughter. I will close now. So a lot of courage Mother. See you later. Many kisses from far away from your little daughter.
100.000 kisses
Julia
 
Joanna did return home and lived to see her daughter getting married to Marcel, six years after the Great War ended. Shortly thereafter, Julia and Marcel had a baby girl they named Jeanne. In those days Marcel was making soccer balls for a living, a job he continued to practice for several years. In 1926, Marcel and Julia had a second child, which was my grandfather Henri Brusten.
 
Julia and Marcel with baby Henri (1926)
Marcel and Julia opened a bar, they called "In de vrijheid" ("In the freedom"). I think they chose that name as a remembrance of the end of the Great War or maybe of the freeing of Julia's mother, Joanna, who died in 1928.
 
From left to right: Marcel, Jeanne, Henri and Julia
This picture was taken in the 1930's,
probably while on vacation in the United Kingdom
Sadly, Marcel and Julia were of the generation of Belgians who lived to see two World Wars...
During WWII, Julia's younger brother Frans and his wife, were both killed when a V-bomb fell on the building they were in.
 
After WWII, Marcel started working with the border patrol in the harbour of Antwerp. Still later, he and his wife opened up a bar again in Antwerp which was later taken over by their daugther Jeanne. Eventually, great-grandpa Marcel and great-grandmother Julia both lived to become 81 years old.



Julia and Marcel







*
*     *








Marcel Brusten & Julia Verelst
 
De bovenstaande foto van mijn overgrootouders Marcel en Julia heb ik van kleins af aan in de woonkamer van mijn grootouders zien staan. Ik heb het altijd een erg stijlvolle foto gevonden... Jammer genoeg overleed overgrootvader Marcel enkele maanden voor ik werd geboren. Hem heb ik dus nooit ontmoet, maar ik heb nog wel herinneringen aan mijn overgrootmoeder Julia, ondanks het feit dat ze, tegen dat ik oud genoeg was om er iets van te herinneren, al ziek was. Ik herinner me nog bij haar op bezoek te zijn geweest toen ik vier of vijf jaar oud was.
 
Dit blogbericht is om wat meer te vertellen over hun verhaal...
 
Marcel werd geboren in het dorp Bree in de Belgische provincie Limburg in 1900 als de jongste van twaalf kinderen van Hendrik en Maria. Toen hij anderhalf jaar oud was, verhuisde de familie naar het dorp Hoboken, net ten zuiden van Antwerpen.
 
Toen de Grote Oorlog begon was Marcel 14 jaar oud, wat te jong was om bij het leger te gaan. Echter, in september 1918 ging hij vrijwillig bij het Belgisch leger, waarna hij eerst naar een militair trainingskamp werd gestuurd in Auvours, in het Sarthe department in Frankrijk, op ongeveer 200 kilometer ten zuidwesten van Parijs. Vervolgens ging hij naar het instructiekamp in Eu in Normandië, dat ten westen van de Franse stad Amiens gelegen is. En tenslotte ging hij naar Beverlo, nabij Leopoldsburg, in België. Ik ben niet zeker of overgrootvader Marcel in feite echt aan het front heeft meegevochten helemaal op het einde van de Grote Oorlog.
 
Marcel Brusten
 
Overgrootmoeder Julia Verelst werd geboren in 1905 als het derde kind van Joanna en Henri Verelst. Hun eerste baby, Petrus, overleed vier maanden voor Julia werd geboren, op de leeftijd van bijna drie jaar oud. Hun tweede zoon, Jef, was iets ouder dan één jaar wanneer Julia werd geboren en voor haar tweede verjaardag werd nog een broertje geboren in 1906 die Frans werd genoemd.
 
Tijdens de Grote Oorlog, in 1917 wanneer Julia 12 jaar oud was, werd haar moeder, Joanna, gearresteerd door Duitse soldaten omdat ze post had gesmokkeld voor het Belgisch leger. Joanna werd naar een werkkamp in Duitsland gevoerd... In een postkaart van 1918, schreef Julia aan haar moeder:
 
Teerbeminde Moeder,
 
Ik kom u een kaartje te schrijven in staat van goede gezondheid en ik hoop van u het zelfde.
Wij hebben uw kaartje van 14 juli 1918 ontvangen en hebben vernomen dat je binnen enkele maanden naar huis komt. O Moeder wat trachten wij naar die dag van afkomst dat wij gerust zullen leven. Lieve moeder schept goeden moed. Den dag van verlossing komt en dan is het lijden uit. Je zal blij zijn een kaartje van de dochtertje te ontvangen. Nu sluit ik mijn kaartje. Dus goede moed, Moeder. Tot weerziens. Vele kussen van ver.
Uw dochtertje.
100.000 kussen
Julia
 
Joanna keerde terug naar huis en zag haar dochter trouwen met Marcel, zes jaar na de Grote Oorlog. Kort daarna kregen Julia en Marcel een meisje dat ze Jeanne noemden. In die periode was Marcel voetbakmaker van beroep. In 1926 kregen Marcel en Julia een tweede kind, mijn grootvader Henri Brusten.
 
Julia en Marcel met baby Henri (1926)
Marcel en Julia openden een café die ze "In de vrijheid" noemden. Ik denk dat ze die naam kozen als herinnering aan het einde van de Grote Oorlog of misschien aan de vrijlating van Julia's moeder, Joanna, die overleed in 1928.
 
Van links naar rechts: Marcel, Jeanne, Henri en Julia
Deze foto werd genomen in de jaren 1930,
waarschijnlijk tijdens een vakantie in het Verenigd Koninkrijk.
Jammer genoeg waren Marcel en Julia van de generatie Belgen die twee wereldoorlogen meemaakten... Tijdens WOII, kwam de jongere broer van Julia, Frans, en diens echtgenote om wanneer er een V-bom op het gebouw viel waar ze zich in bevonden.
 
Na WOII, begon Marcel te werken als douanier in de haven van Antwerpen. Nog later openden hij en zijn vrouw opnieuw een café in Antwerpen die later werd overgenomen door hun dochter Jeanne. Uiteindelijk werden overgrootvader Marcel en overgrootmoder Julia allebei 81 jaar oud.



Julia en Marcel